componisten xX
muziek
De ene noot kraakt
makkelijker dan de andere; Pjotr Iljitsj Tsjaikovsky hoor je dan ook
sneller in zijn nakende bast dan György Ligeti
(1923-2006). Ligeti ontvluchtte in 1956 Hongarije en ging via
Wenen naar Keulen. Daar lag hij een tijdje in de kost bij Karlheinz
Stockhausen, met wie hij al correspondeerde en wiens muziek hij
bewonderde. Hij werkte vervolgens een paar jaar bij de elektronische
studio van de WDR en maakte enkele stukken. Herbert Eimert en vooral
Gottfried Michael Koenig waren in deze periode belangrijk voor Ligeti.
In de WDR studio ontstonden Glissandi (1957) en Artikulation (1958). Bij
het eerstgenoemde stuk komt er aanvankelijk een onvervalst Zandvoort
gevoel over je heen; de oude band giert bijna zelf mee. Verder dekt de
titel de lading aardig, het is een komen en gaan van vice versa heen en
weer geluiden. Voor Artikulation verzamelde Ligeti vele geluidsmonsters
in diverse dozen van Pandora. Toen hij vervolgens onder toezicht van de
notaris de dozen opende, bleven rampzalige gevolgen uit en de winnende
geluiden van het kansspel werden met behulp van streng seriële methoden
op band geplakt. Een gezellige chaos met feesttinten is aldus rijp voor
het tekenfilmnetwerk. Een andere stuk, conceptueel gereed in 1958, onder
de later nog van pas gekomen titel Atmosphéres, kon destijds om
technische redenen - het allengs stijgende ruisniveau bij intensief
overdubben was te hardnekkig om de kop in te drukken - niet op een
acceptabele wijze gerealiseerd worden. Toen Ligeti in 1996 naar het
Haagse conservatorium kwam, zetten Kees Tazelaar, Paul Berg en Johan van
Kreij het abstracte om in het concrete en Ligeti was verguld met het
resultaat. Onder de titel Pièce électronique n◦ 3 staat het sindsdien te
boek. Gezaagde en afgezaagde microgolven, digitaal gestapeld tot een
viaduct met het bovengemiddelde onder en het ondergeschikte boven. Door
die hoogbouw is het zo voorbij en ben je al die sporen bijster. Keulen
was het begin van Ligeti’s “tweede periode”. Een kunstenaar moet immers
perioden hebben; aan kunstenaars met periodieke onthouding hebben wij
niets. Bij Ligeti zijn het er vier. Eerst de Hongaarse periode van
poesta, polka en Puskas. Daarna de uitgelaten periode van verworven
vrijheid en meertalige conversatie. Aansluitend, zo rond 1975, geraakte
Ligeti in een soort impasse. Ook goed natuurlijk, mits je daar
“gelouterd” uit weet te klimmen. Dat lukte, en begin jaren tachtig begon
Ligeti aan zijn vierde periode: een eindsprint met wind in de rug. De
complete Ligeti is makkelijk te behappen. Met de series op Sony en
Teldec haal je alles in huis. Ook Wergo heeft trouwens een aardig doosje
in de catalogus.
Zijn
geboortehuis stond in het Roemeense Transsylvanië. Zijn familie behoorde
tot de Hongaarstalige minderheid. Toen hij 22 was, ging hij naar het
conservatorium in Boedapest. In Hongarije schreef hij twee soorten
muziek: enerzijds de officieel goedgekeurde, voornamelijk op folklore
gebaseerde composities, anderzijds de door hemzelf hooggeachte stukken
voor de kat z’n viool. Ligeti schreef veel stukken voor koor, diverse
liederen en enkele orkestwerken in dit tijdperk van conformeren en in de
pas lopen. De “procedure” is mooi te volgen in de Baladǎ şi joc (1950).
Eerst arrangeerde Ligeti deze twee Roemeense volksliedjes voor twee
violen. Vervolgens maakte hij een bewerking voor schoolorkest en
tenslotte ontstond hieruit het Concert Românesc (1951). Op de Balkan is
de rijkdom aan traditionele muziek immens, dus voor componisten lag de
goudmijn om de hoek. Ligeti heeft een duit in het zakje gedaan met zijn
adaptaties en pseudofolklore. Sterker nog: sommige vroege koorwerken
vind ik net zo goed, zo niet beter, dan latere, in alle vrijheid bij
mekaar geharkte stukken. Bijvoorbeeld Éjszaka, een kort koorstuk uit
1955. Dat wordt de lucht in geslingerd alsof Albanië middenin de nacht
bereikt moet worden. Of de vier Hongaarse bruiloftsdansen, Négy
lakodalmi tánc (1950), die in de wijde omtrek voor toenemend
feestgedruis, cancangedrag en scanderend proosten zorgen. Niet alle
composities van Ligeti kwamen door de ballotage van het bewind. Dan was
hij te baldadig, dan weer te dissonant, dan moest hij weer wat meer op
zijn tellen passen. Het gedwongen in een keurslijf opereren is soms
overigens een uitstekende stimulans tot het bereiken van onvermoede
resultaten. Neem de elfdelige pianocyclus Musica Ricercata (1953).
Ligeti deelt mee dat de titel letterlijk genomen moet worden: hij zocht
naar een eigen stem en slaagde daar vooralsnog niet in. Daar kwam dan
bij, dat ook dit stuk in de anonimiteit van het dressoir verdween. Vele
jaren na dato echter, kan met min of meer onbespoten oren vastgesteld
worden dat deze pianostukken wel degelijk geschaard kunnen worden onder
de representatiekosten. Vooral het bijkans mechanische eerste deel blikt
vooruit naar de door Conlon Nancarrow en Midden-Afrika beïnvloedde
latere arbeid op pianistiek gebied. Opvallend is ook de systematische
aanpak: in het eerste deel twee noten, in het tweede drie, in het derde
vier, enz. Deel elf, een hommage aan Frescobaldi, bevat alle twaalf
noten, zij het niet in de zin der Telramers. Op deel drie van de Ligeti
editie staat deze vroege klavierproeve tussen de terecht bewierookte
Études, zonder een figuur te slaan. Er zijn twee bewerkingen gemaakt van
de Musica Ricercata; een voor bayan ( Russische accordeon ), door Max
Bonnay, en een voor draaiorgel, door Pierre Charial. Allebei
verrijkingen van het repertoire en goed voor het opkrikken van een
ingezakt humeur, mitsgaders het aanjagen van spontane squaredans of
zakdoekje leggen met opgedroogde snot. Ligeti werkte in 1953 in
hoogsteigen persoon zes deeltjes om voor blaaskwintet: de Zes
Bagatellen. Ook deze stukken verdwenen aanvankelijk in het
schemerduister van het archief, maar uiteindelijk zagen ze in de jaren
zestig het licht in Stockholm. Nu staan ze bij elk groepje blazers
genoteerd in de agenda en op elke straathoek in Boedapest fluit de
verkeersagent de begintune bij wijze van alarmsignaal. Het eerste
strijkkwartet, “Métamorphores Nocturnes” (1954), schreef Ligeti voor de
la, al heeft het niet al te lang hoeven wachten op de eerste uitvoering.
Hij bestrijkt hier een palet van gematigd modern idioom, met Bartok als
rolmodel, de volksmuziek in gedachten en klassieke trekjes op de
achtergrond. Zijn Sonata voor cello solo (1948/53) is in het eerste deel
keurig in de vouw geperst en vijf jaar later kreeg het tweede deel
opzettelijke kreukels. Dit stuk werd eenmaal gedoogd op de radio door
het toenmalige regime en ging vervolgens in de doofpot. De Régi Magyar
Társas Tántok (1949), vier Hongaarse dansen van rond 1800, van vier
verschillende componisten, door Ligeti voor fluit, klarinet en strijkers
gezet, bevatten een prettig gehalte aan ketsie tunes, deels gedragen
door de typisch Transsylvaanse stokvoering op de contrabas, waarmede
gehele stuwmeren vol noten op hun plaats worden geduwd, bij wijze van
spreken dan, want die stok zelf strijkt weinig noten.
Ligeti bekwaamde zich een langdurige blauwe maandag op het orgel. Toch
heeft hij niet veel voor dit instrument nagelaten. De Ricercare, uit
1951, is een arrangement van het elfde deel ter ere van Frescobaldi en
is tamelijk conventioneel. De Zwei Orgeletüden uit 1967 (Harmonies) en
1969 (Coulée), zijn echter minder doorsnee. Voor het spelen van deze
stukken dient de luchtdruk belangrijk gereduceerd te worden, teneinde
micro-intervallen te bewerkstelligen. Het zijn daardoor amechtige, naar
ademtochten snakkende dingen geworden, met een geheel eigen atmosfeer
van lagedrukgebieden en in elkaar overlopende neerslagen van noten.
Volumina (1962), de naam zegt het al, is ellebogenwerk met kniestukken,
aangezien alle toetsen tegelijk aan de beurt komen en zodoende een berg
decibellen produceren. Tegenwoordig valt het onder beschaafd amusement,
althans in zekere kringen. Een stuk als Continuum (1968), voor
klavecimbel, verwierf zekere faam omdat Ligeti met tamponeertoetsen in
een razendsnel tempo stippels zette, die als een streep te beluisteren
waren. Met zijn microvezels in orkestverband schilderde hij wolken
geluid en het rappe pingelen op de spijkerbak paste goed in dat klimaat.
Met Apparitions, uit 1959, en Atmosphéres, uit 1961, begon hij met die
statische, voorbijdrijvende massa’s noten. Uniform amorf en desondanks
prachtig gevarieerd van vorm: met paradoxen kunnen we gelukkig alle
kanten op. Atmosphéres had gerust Apparitions genoemd mogen worden en
andersom, maar omdat Ligeti nu eenmaal weerkaarten benutte voor het ene,
en een oude druk van Ovidius’ Metamorfosen voor het andere stuk, etc.
Mistflarden, plaatselijke donderbuitjes, depressies, opklaringen,
motregen; atmosferisch is het zeker. Daarnevens fascinerende, op
broccoli- & bloemkoolstructuren gebouwde schuifwanden, serres en
spouwmuren, geheel vervuld van zichzelf en door eigen gewicht moeilijk
te verplaatsen. Lontano (1967), een oefening voor een groot, harmonisch
orkest, is volgepropt met hernieuwd herkauwen van het romantische
verleden. Volgens Ligeti is het een uitzicht op een sedert lang
weggezakte droomwereld, geassocieerd met de kindertijd. Melodien (1971),
met een mooi dwarrelend begin, is opnieuw een zwevend object met neiging
tot kringelen, maar hier duiken inderdaad aanzetten tot, en flarden van
melodietjes op, ze steken als het ware met hun koppen boven het maaiveld
uit. In 1970 maakte hij het Kammerkonzert voor dertien
instrumentalisten, en dat stuk, vol van innerlijk leven en wars van
uiterlijk vertoon, ondanks het hectische verkeer onderling, kan
beschouwd worden als de eerste stap over de drempel van de vele kleine
stapjes naar de grotere gebaren, de vrijere architectuur en de
amusementshal. Clocks and Clouds (1973), bevat maliënkolders van fluiten
en klarinetten en kogelvrije velden met vrouwenkoor. Volgens de
componist is Clocks and Clouds niet goed gelukt, maar hij heeft het niet
terug getrokken en het is overduidelijk een stuk uit dezelfde puzzel met
vlakverdelingen vol complicaties. Zo rond 1980 maakte ik kennis met
Ligeti. In De Doelen voerde het Rotterdams Philharmonisch Orkest San
Francisco Polyphony (1974) uit, met Edo de Waart als dirigent. Ik vond
er niet veel aan, met mijn destijds erg beperkte referentiekader en mijn
royaal gevulde vooroordelenpakket. Ligeti ging van lieverlede over van
de macrobiotische microvezels naar de mesoscopische polyfonie. San
Francisco Polyphony was zo ongeveer de laatste fase in deze
ontwikkeling. Naast al deze orkestwerken was hij vocaal eveneens flink
in de weer.
Aventures (1962) en Nouvelles Aventures (1965) zijn verankerd in de
jaren zestig. “Gewone” zang schoot tekort en allerhande technieken,
kunstjes en fratsen werden ruimhartig ingezet. Maar dan moet je wel
vertolkers hebben, die het gekunstelde ongekunsteld kunnen doen lijken
en dat is niet een ieder gegeven. Veel van die stukken uit de jaren
zestig zijn gedateerd. In collagevorm zoveel mogelijk vocale stunts,
alledaagse zang en andere geluiden combineren, dat is nu net zo’n
anachronisme als bloemen in het haar, bruin behang en visnetten aan het
plafond. Met Simon Boccanegra of Die Meistersinger komen dergelijke
gedachten nooit aan de orde, maar dat kan ook aan mij liggen natuurlijk,
want een vastgeroeste buil meningen is net zo fijn als een grote portie
stamppot rauwe andijvie. Dit gezegd hebbende, vallen Aventures en
Nouvelles Aventures reuze mee. Het scala aparte vocalen blijft binnen de
perken en de begeleiding zet de bloemetjes prettig buiten. Het dankzij
Stanley Kubrick beroemd geworden Lux Aeterna (1966) is in het geheel
niet verjaard. Dit naar esoterie en gewichtloosheid zwemende, uit de
ruimte opdoemende weefgetouw van zestien stemmen staat misschien wel
buiten de tijd. Ruimte en tijd doen dezelfde snaar trillen, met een
kromme rug van de inspanning, mede door de 10D techniek. ( U weet
natuurlijk dat Kubrick in eerste instantie Dick Raaijmakers vroeg voor
de muziek van zijn ruimtefilm. Dick Raaijmakers had echter wel wat
anders aan zijn kop. ) En in het Requiem uit 1965, voor sopraan,
mezzosopraan, gemengd koor en orkest, met een welhaast Russisch-orthodox
aandoende opening en een weinig Calvinistisch middendeel, met vocale
zwermen meervoud, dit alles verticaal gestut, horizontaal aangedreven,
kruiselings bestoven en diagonaal doorgestreept bij de passages met
boter, kaas en eieren. Ondertussen lepelt een opgezweepte menigte
rechtstreeks uit het stamboek van Berlioz on acid op niet mis te
verstane wijze opgefokte deunen tevoorschijn, vol paardensprongen,
verwisselde lopers, roekeloze rokades en diep blauwe matten. De omver
gekegelde toehoorder breekt uit in vreugdedans, steekt het kampvuur aan
en begint spontaan met gitaarspel op de kazoo. Ook dit als Mis te
verstane stuk vond een plaats in de ruimtereis van 2001. Drei Phantasien
nach Friedrich Hölderlin, uit 1982, zijn zestienstemmig polyfoon. We
horen parallelle verschuivingen in opengeschoven lamellen en
schreeuwtherapie in deeltijd voor zangers in flanellen; nabootsingen
botsen op een druk parcours van velours en detours. Organische
ontwikkelingen binnen een concept leverden in 1983 een ander drietal op:
Magyar Etüdök, een ogenschijnlijke terugkeer naar het Hongarije van de
folklore, met canons en dubbelcanons, echo’s en simultaan optredende
tempi varioso. De Nonsense Madrigals (1988/93) zijn genealogisch
geworteld in de tweede helft van de zestiende eeuw, met stamvaders als
Orazio Vecchi en Adriano Banchieri. Onomatopeeën, verdraaiing der
stemmen, kretologie, kortom: de vraag: Does Humor Belong In Music?, is
weer eens gewettigd. Ook hier moet het “onnatuurlijke” natuurlijk
overkomen en dat is niet altijd het geval. Dan is de ironische en
sarcastische burleske, de opera Le Grand Macabre (eerste versie 1977,
Duitstalig; tweede versie 1997, Engelstalig) veel beter geslaagd en
zelfs geschikt voor een publiek van “gemiddelde samenstelling”, zoals ik
zelf heb mogen constateren in de Rotterdamse Schouwburg, plusminus eind
jaren negentig, met Reinbert de Leeuw als dirigent. De ouverture met
claxons ( Ligeti introduceert zodoende de toeterix in de wereld van de
verhoogde wenkbrauwen en gebruikt voor het evenwicht later een ensemble
fietsbellen ) is een ijsbreker voor antirariteiten publiek, want een
ieder begrijpt meteen: we gaan weliswaar gek doen, maar niet raar.
Vervolgens komt er een dronken tor in het landschap van Breughelland en
heft met vaste, onvaste stem het Dies Irae aan. De toon is dan gezet en
die toon blijft gezet. Een reeks citaten, parafrases en associaties
trekt ondertussen voorbij, maar het is niet zo eenvoudig om overal de
vinger op te leggen. Hier ligt een taak voor een “promovendus” aan een
Amerikaanse universiteit. Met Le Grand Macabre heeft Ligeti een
potentiële hit in handen, maar toch zijn er bij mijn weten niet zo veel
uitvoeringen geweest. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan de eerste,
Duitstalige variant, zoals te horen op de Wergo uitgave. Dirigent Elgar
Howarth maakte in 1991, onder de titel Mysteries of the Macabre, een
korte doch nokgevulde “suite” voor coloratuursopraan en ensemble (of
trompet en ensemble), met toestemming en goedkeuring van Ligeti.
Prachtige uitsmijters of opwarmers. In 2000 maakte hij, Ligeti, Síppal,
Dobbal, Nádihegedüvel, voor mezzosopraan en slagwerk. Naast het slagwerk
zijn er harmonica’s en schuiffluitjes, teneinde een “vreemde atmosfeer
te creëren”, aldus Ligeti. Bovenal zijn het zeven flitsende, gezellige
meezingers, zonder haken en ogen en met kunstig gesimuleerde volksmuziek
uit meerdere windstreken.
Ligeti, een non-conformist met niet-puristische denkbeelden, stelde in
zijn smeltkroezen, vergaarbakken en reageerbuizen graag “illusoire”
muziek samen, vooral na zijn kennismaking met de ratelpiano’s van Conlon
Nancarrow en het zwevende instrumentarium van Harry Partch. Ook de
Afrikaanse meerstemmigheid pakte hem flink aan. Zeker in zijn laatste
fase, na de crisis, begonnen na het voltooien van de opera, probeerde
hij alles te mengen. Een mooi voorbeeld is het Vioolconcert (1992). Ik
tracht nu het commentaar van Ligeti in begrijpelijk Nederlands samen te
vatten: Met behulp van dynamische systemen, wordt de chaostheorie
fractaal geschraagd zonder de onderliggende rasters dicht te laten
slibben door Micronesië of openvallende, onzuivere octaven. Door de
natuurtonen op de hoorns en de trombone, gevoegd bij enkele anders
gestemde strijkers, krijgt de verontreinigde grondtoon een toeslag op de
boventonen en daardoor neemt de complexiteit van het geheel toe tot
niveaus van hiërarchisch ingeschaalde supersignalen. Maar u mag
daarnaast ook gewoon luisteren en denken: goh, wat een aardig
vioolconcert is dit eigenlijk. Dat laatste legt Ligeti niet zelf uit, al
laat hij het wel horen. Er zijn nog een paar concerten in zijn
catalogus. Reeds in 1966 ontstond het Celloconcert, met in het eerste
deel een blik velden, en in het tweede deel hapsnap gefrunnik met een
grillig verloop. De meezingfactor voor de toehoorder blijft beperkt tot
het stiekem inwendig hummen van een lied naar eigen keus. Het
Celloconcert is streng vergeleken met de latere concerten. Het Double
Concerto, uit 1972, voor fluit, hobo en orkest, met veel houtblazers in
het orkest, is een stief kwartiertje micro-intervallen op solistische
basis, met incidentele bijdragen uit de instrumentenpoel. Is het eerste
deel nog zangerig, met in de pit reeds het fluitjesstruweel van het
Pianoconcert, het tweede deel is daarentegen een mierennest met zwaar
hoboïstische activiteiten, al laat de fluit zich ook niet onbetuigd. Het
Pianoconcert, voltooid in 1988, vijfdelig, berucht lastig te spelen,
combineert extreme registers met exotische fluitjes en ocarina’s,
verschillend gearticuleerde noten met gelaagde ritmes en constructies
vol Escherinvloeden met het heldere licht van gekleurd wit/zwart. 1)
Klapstukjes honkytonk met rustgevend nerveuze trekken op een bedding van
over en langs mekaar heen schurende en buitelende ritmes. 2)
Caviagefluit in een rustieke omgeving met accenten op hogere regionen en
afgerond bonken in de bas. 3) Een pianovirtuoos krijgt repliek van een
bosje ocarina’s. 4) Een motief duikt in velerlei gedaanten op in het
orkestrale doorgeefluik en eindigt met versnipperde splinters in een
prikkelende spurt. 5) De uitlaatservice in de bocht met volop ADHD in
een zinnige draaikolk. Mocht u nu nog geen zin krijgen in een concert
van Ligeti dan weet ik het niet meer. Het Hamburg Concerto (1999/2003)
is een hoornconcert. Naast de solerende “ventielhoorn”, zijn er partijen
voor vier “natuurhoorns”, teneinde buitenissige mengsmeringen vol
gehoorkundige verrassingen te bereiden. En inderdaad zijn er diverse
bijzondere neerslagen van op elkaar reagerende hoorns, naast rondborstig
geschetter, vraag- & antwoordspelletjes en vrolijke noten zonder
wanklank of smetvrees.
In september 1963 zorgde de wereldpremière van Poème Symphonique (1962)
voor een rel in Hilversum. Dit stuk zou op televisie uitgezonden worden,
als slotmanifestatie van de Gaudeamus Muziekweek, compleet met officiële
toespraken van hoogkledigheidsbewaarders, die meestal niet
geïnteresseerd zijn maar wel betaald worden en voorgekookt geleuter
klaar hebben liggen voor elk soort gelegenheid. Toen echter bleek, dat
het een stuk was voor honderd opgewonden metronomen, zonder enige
muzikant in het spel, sloeg men op tilt. Geen uitzending en zelfs
verboden toegang verklaard voor onbevoegden; dus de band is nooit
openbaar vertoond, behalve een keer in Zweden, jaren later; “for
internal use only – not authorized for broadcast”. Dat waren nog eens
tijden, en die tijden keren helaas weerom. Die metronomenwekker,
allemaal voorzien van een eigen tic, duurt zolang het duurt. Pas als de
laatste metronoom ophoudt is het stuk uit. Op cd duurt het 20 minuten.
Het is een tropische hagelbui, van lieverlede uitdunnend tot er een
enkele nadruppel overblijft. In levende lijve is het zelfs “spannend”:
welke metronoom houdt het langst stand? Ligeti heeft stukken voor piano
solo, twee piano’s en voor piano vierhandig geschreven. Het middelste
deel van zijn Drei Stücke für zwei Klaviere (1976), genaamd
“Selbstportrait mit Reich und Riley (und Chopin ist auch dabei)”, zegt
iets over zijn inspiratiebronnen van dat moment en het is aanstekelijk
hikken en hinken in deze fusie van minimalisme, chopinoiserie en
Hungarotonen. Ligeti op piano is “gedreven”. De Études pour piano, in
drie boeken verzameld, behoren waarschijnlijk tot de meest gespeelde
pianostukken van de twintigste eeuw. Dat laatste moet er wel bij, ter
relativering. Tijdens het Ligeti Project van het Haagse Conservatorium,
in 1996 zoals gezegd, kwam Pierre-Laurent Aimard de boel op stelten
zetten met een pakketje Études. Het zweet brak me uit, bij al die
overdonderende series bliksemsnelle passages met octavenonweer en bij al
dat geautomatiseerde hamertje-tik met gearomatiseerde trillingen. Het
ene moment leek het een rammelkast met precisieaandrijving, het andere
moment alsof een op hol geslagen barpianist in benevelde staat meer dan
tien vingers paraat had. Die Études zijn wel een “uitdaging” voor
pianotijgers en vervolgcursisten bewegingstechniek. Ligeti had het
eerste boek gereed in 1985, het tweede in 1994 en het derde, mogelijk
slechts uit één nummer –White on White- bestaande boek, ging in 1996 te
Den Haag in première. Prachtig spul ter lering en vermaak. Diverse
deeltjes zijn ook geponst voor pianola. Er is zelfs een deel voor twee
pianola’s. Voor klavecimbel (en bewerkt voor draaiorgel) is Hungarian
Rock uit 1978, kennelijk een lang verbeid antwoord op de Transylvania
Boogie uit de jaren zestig: György’s Revenge. Zijn tweede Strijkkwartet
dateert van 1968 en is een poging tot het bundelen van bewegende, in een
web van polyritmiek gevangen stemmen. De Ten Pieces for Wind Quintet
(1968) gaan tot de limieten van wat mogelijk is met een combinatie van
fluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn, en Ligeti tracht zelfs door het
versmelten van zekere timbres een nieuwe, “psycho-akoestische” laag aan
te boren, die uit een niet nader vast te stellen richting komt, doch het
resultaat is van de gemeenschappelijke inspanning. Hartelijk welkom in
het penetrante kroondomein van de piccolo, de klarinet en de hobo. Voor
de ene luisteraar hartverwarmend, voor de andere hartverzakkend, maar
het zal zeker niet onopgemerkt blijven. Aanmerkelijk minder indringend
is het Trio for Violin, Horn and Piano (1982), een eerbetoon aan het
beroemde stuk, opus 40, van Johannes Brahms, en puttend uit technieken
en vormen van vervlogen tijden, zonder de eigen tijd tekort te doen. Het
was zijn eerste stuk na een langdurige stilte, waarin hij van alles
onder handen had, terwijl er niets uit kwam. Uiteraard is ook dit trio
een verzameling van uiteenlopende elementen, door de centrale meldkamer
van Ligeti getransformeerd tot een samenhangende compositie van bijna
een half uur. Soms is het net alsof de hoorn een geluidsscherm om het
geheel zet en daarmee de begrenzingen bepaalt alsook de dynamische
contouren afzet tegen het interieur. Helemaal zeker is dit niet,
aangezien de meetapparatuur op een cruciaal moment in de slaapstand
verviel. Ditmaal refereert Ligeti ook aan zigeunermuziek, al is de enige
“echte” zigeunermuziek vocaal en niet instrumentaal. Doet niet ter zake
en daarom toch even gezegd. Dan is er nog een Sonata for Viola solo
(1994), ook niet kinderachtig van lengte. Een “figuratief” stuk, aldus
de componist. Hij noemt, naast de eeuwige J.S. Bach, Lewis Carroll als
voorbeeld voor de sonate. Ik vind niet dat de altviool wonderlijke
landen of gebroken spiegels oproept: eigenlijk hoor ik voornamelijk een
lang stuk voor altviool, verdeeld in zes partjes en hapklaar te
consumeren zonder dat je speciale maatregelen vooraf hoeft te nemen en
ook zonder dat je de gehele gebruiksaanwijzing vooraf hoeft te lezen.
Een mooi, “mild” stuk. Na 2000 heeft Ligeti kennelijk geen stukken meer
gemaakt, afgezien van een incidentele revisie hier en daar. Misschien
had zulks te maken met zijn gezondheid, misschien was hij gewoon
uitgeschreven. Hij was wel betrokken bij de opnames van zijn werken voor
Sony en Teldec en daarom zijn die uitgaven “verplicht” voor de
fetisjistisch aangelegde fonomaniak. De hele Ligeti staat op slechts
veertien schijven ( negen stuks Sony en vijf stuks Teldec ) en neemt
derhalve minder ruimte in beslag dan de hele Haydn of Bach. Hoe valt het
werk van Ligeti samen te vatten, zonder te vervallen in reclametaal of
brochuregezwets? Van perfectionist Ligeti, verzot op net uit de rails
lopend unisono, o.a. smeder van grootschalige isotopen en
micro-organismen, daarnaast lijp van knots gekneusde ritmiek, staan alle
werken in het kwaliteitsregister van de Bond voor Nanomechanica en
Klankfeesten.